Brandschilderen

Techniek brandschilderen

Bij brandschilderen brand je in de oven glaspigmenten in een bestaand stuk glas.

Bij de traditionele techniek schilder je in drie fasen: contour, diepte en kleur. De kleur gaat vaak in meerdere stookgangen.

De contourlijnen worden in oven rond 5 à 600 graden gestookt. Hiervoor wordt het glaspoeder vermengd met een mengsel van medium, spiritus en water dat heel fijn wordt gevijzeld en met een lange penseel opgebracht.

Met de grisaillelaag (grijstinten) creëer je de diepte in het werk. Hiervoor vijzel je de verf zo fijn dat deze helemaal glad is. Je bedenkt met een platte kwast je hele tekening zo egaal mogelijk met de verf. Met een speciale daskwast verdeel je de verf tot het overal gelijk is. Als de verf droog is leg je je glas op een lichtbak. Door te krabben en tamponeren haal je daar de verf weg waar het nodig is. Zo creëer je diepte in een lichaam, een gezicht, een gebouw. Of structuur in een gordijn, kledingstuk, houten kast etc. Hierin herken je de hand van de meester.

Kleuren worden vaak met meerdere stookgangen aangebracht. Je bedekt de stukken glas met de gevijzelde verf. Na het drogen haal je de verf buiten de lijnen weg. Je kunt dus alleen kleuren tegelijk stoken die niet naast elkaar liggen.

Bij de moderne techniek, die vaak in kunstobjecten wordt gebruikt schilder je met dekkende of transparante verven op een bestaand stuk glas zoals je ook op doek zou schilderen.